Het is alles een kwestie van ruimte | zaterdag 2 en zondag 3 april 2016

Zie ook de voorbeschouwing in het Haarlems Dagblad

Haarlems Dagblad, 29-03-2016

Zoals het kleinste deeltje - het atoom - meer ruimte dan massa bevat, zo biedt ook het kleinste interval - de halve toonsafstand - zeeën aan muzikale ruimte.

In dit programma gaat Puisque tout Passe deze ruimte exploreren. En als een ware ontdekkingsreiziger zal dit vocaal ensemble het publiek verrassen met verhalen over onmetelijke weidsheid.

Het centrale werk op het programma is ‘Topos’ van Daan Manneke op teksten van Arthur Rimbaud. Topos betekent ‘plaats’ en is bedoelt voor een grote, gul klinkende ruimte. In de diverse delen wordt de ruimte muzikaal verkend. Een rijk boeket van verkleurende klinkers zet de ruimte in een steeds wisselende acoustische gloed.

Ook van Daan Manneke zingt het koor ‘Psaume 121’. Een werk van een andere orde dan ‘Topos’, maar met heel herkenbare structuurelementen. Unisono-passages die verglijden in polyfone uitwerkingen. Een beheerst pallet van ingetogen en meer expressieve elementen die de psalmtekst volledig recht doet. En gekruid met muzikale ingrediënten die herinneren aan de Notre-Dame school en het werk van Guillaume de Machaut.

Met Machaut verwijdert het koor zich wel heel ver van zijn focus op de meer recente muziek. Maar de muziek in dit programma is doordesemd met elementen uit de vroegste meerstemmigheid. Vandaar dat het koor een deel uit de ‘Messe de nostre Dame’ ten gehore zal brengen. En wie luistert weet: alle werken op dit programma zijn schatplichtig aan deze troubadour en zijn tijdgenoten. De ruimte, mi-fa, hoketus, organum, vele muzikale technieken vinden wij terug bij Manneke, Schnittke, Pärt en Górecki.

Schnittke schrijft met ‘Stimmen der Natur’ een uiterst sober stuk voor 5 sopranen, 5 alten en vibrafoon. Een enkele centrale toon wordt langzamerhand ingekleurd door zich ritmisch invoegende nevenstemmen. Wanneer alle stemmen in het unisono zijn gearriveerd, ontstaan er gaandeweg neventonen, langzaam ontkiemend vanuit de halve toon (mi-fa). Als een sterrenstelsel ontstaat een klankwolk, een cluster met toenemende innerlijke spanning. Uiteindelijk ontlaadt deze zich in de iriserende kleurenpracht van slechts twee akkoorden. Verlost van de opgebouwde spanning keren de stemmen terug tot het unisono.

In ‘Drei geistliche Gesänge’ hanteert Schnitke een veel kleurrijker pallet. Maar ook hij speelt, net als Daan Manneke, met de mogelijkheden van unisono en halve toon. Als prevelende monikken lopen majeur (Es-groot) en mineur (c-klein) door elkaar. Hier toont mi-fa een van zijn kwaliteiten: onderscheid maken, maar tevens verbinden. En elk van de drie stukken doorleeft een ontwikkeling van een sober unisono naar een rijk geschakeerd slotakkoord.

Met Arvo Pärt bezingen wij Maria. Het Magnificat is de weergave van een tekst die de zwangere Maria, op bezoek bij haar eveneens zwangere nicht Elisabeth, uitspreekt. Pärt kende een grote cesuur in zijn scheppende leven. Als avant-gardist en serieel componist liep hij vast. Het kostte hem jaren om weer opnieuw te gaan componeren. Dan ontstaat langzamerhand zijn beroemd geworden tintinnabuli-stijl, refererend aan de boventoonpatronen van kerkklokken. Zijn muziek wordt diep-religieus geïnspireerd en raakt ver verwijderd van de intellectuele muziekontwikkelingen van de tweede helft van de 20e eeuw.

Górecki zocht, net als Pärt, nieuwe wegen om uit het dwangbuis van de seriële muziek te geraken en om uiting te geven aan een diep-religieus wereldbeeld. In ‘Euntes ibant et flebant’ gebruikt hij slechts enkele tonen en creërt daarmee een bijzondere combinatie van tijdloosheid, spanning en ontspanning. Het tijdgevoel komt onder druk te staan en wordt vloeibaar.

En wanneer de klokken van Pärt gaan luiden, resoneren de klokken van Machaut. En Manneke, Schnittke en Górecki blijken stemmen in een groot unisono-koor. Vereend in hun zoektocht naar de binnenkant van enkele tonen overbruggen zij de eeuwen en dienen de muziek. Het is alles een kwestie van ruimte.

2016

2016

Route du soleil | zaterdag 7 en zondag 8 november 2015

Vocaal ensemble Puisque tout Passe beweegt zich dit najaar onder een vale herfstzon door het franse muzikale landschap.

Een zon die leven schept, maar ook vernietigt.

Jubelend bezingt de uiterst getalenteerde en veel te jong gestorven Lili Boulanger dit hemellichaam. Maar haar licht valt ook op de aanloop naar de eerste wereldoorlog.

Voorjaar en vergankelijkheid, leven en dood, zijn ook de thema's van Paul Hindemith aan de vooravond van de tweede wereldbrand.

Wat rest is een sterk geloof om je aan vast te klampen, zoals dat van Olivier Messiaen. Een geloof tegen beter weten in.

En wanneer de zon ondergaat en de horizon verduistert, restten de troostende herinneringen aan een onbezorgde kindertijd in de liedjes van Louis Vierne en Francis Poulenc.

Of een mooi liedje van Gabriel Fauré en een nachtzoen van Louis Andriessen.

Puisque tout Passe wenst u een voorspoedige reis!

Puisque tout Passie... | zondag 22 maart 2015

Puisque tout Passe begint 2015 met een passieprogramma. En wel een programma dat gekenmerkt wordt door een uiterste soberheid van het muzikale materiaal. Maar in deze intimiteit worden de grote thema's van de passietijd - dood en lijden, opstand en verzoening - aangrijpend invoelbaar.

Vic Nees geeft de gevolgen van de verleiding van Eva door Satan (de slang) in slechts twee zinnen uit het boek Genesis weer (Inimicitias ponam…). De uit het paradijs verdreven mens is dolend en zoekt verlossing. Een verlossing die slechts door de nazaten van Eva bewerkstelligd kan worden. Ofwel via Maria door Jezus Christus. Vanuit zijn wanhoop klinken de menselijke gebeden (De profundis…). In de muziek van Nees is de strijd tussen opstanding en berusting in kleine gebaren contrasterend verklankt.

Het gebed klinkt bij Franz Liszt veel ingetogener, devoter. De oudere Liszt heeft zijn virtuositeit en bourgondische levensstijl ver achter zich gelaten. De muziek is niet langer epaterend, maar ontdaan van elk uiterlijk vertoon. Waarmee Liszt vooruitloopt op de 20e-eeuwse avant-garde met zijn verwijdering dan wel verwerping van de tonale muziek. Zo gaan de verglijdende milde harmoniën van het Pater noster als vanzelf over in een unisono passage. Die gezien kan worden als het diepe verlangen tot herstel van de verloren eenheid met God. En deze verlate katholiek - Liszt ontving zelfs de lagere wijdingen van het priesterschap - beseft dat het succes van het gebed afhankelijk is van de voorspraak van Maria, de moeder van God. Vandaar de lofzang op Maria, het Salve Regina.

Ook Arvo Pärt bezingt Maria. Het Magnificat is de weergave van een tekst die de zwangere Maria, op bezoek bij haar eveneens zwangere nicht Elisabeth, uitspreekt. Enigszins vergelijkbaar met Liszt kent de componist Pärt een grote cesuur in zijn scheppende leven. Als avant-gardist en serieel componist loopt hij vast. Het kost hem jaren om weer opnieuw te gaan componeren. Dan ontstaat langzamerhand zijn beroemd geworden tintinnabuli-stijl, refererend aan de boventoonpatronen van kerkklokken. Zijn muziek wordt diep-religieus geïnspireerd en raakt ver verwijderd van de intellectuele muziekontwikkelingen van de tweede helft van de 20e eeuw.

In de kruisweg van Liszt komen alle grote thema's van het passieverhaal samen. De beschrijving van het lijden en de dood van de zoon van God en de smart en troost die dat voor de mensen oplevert. Muzikaal wisselen instrumentale en vocale staties elkaar af. De muziek is van een uiterste soberheid. De harmonie ontwikkelt zich voortdurend, maar blijft diffuus en ontwijkt met grote regelmaat een duidelijk tooncentrum. Er is geen zekerheid, alleen geloof. Vergelijkbare scènes gebruiken vergelijkbaar muzikaal materiaal, maar altijd getransformeerd. Zo valt Jezus drie keer, maar nooit op dezelfde wijze. En ook het zich herhalende Stabat Mater thema is herinnering en de ontkenning daarvan tegelijk. Maar aan het slot bereikt het koor de zo verlangde zielerust in een lange unisono-passage.

Wij hopen dat u - met ons - gelouterd en getroost wordt door deze prachtige muziek!

De rivier zingt, de muziek meandert | 2014

Na de emotioneel uitputtende romantiek en neo-romantiek zochten componisten aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw nieuwe inspiratiebronnen. Die vonden zij vaak letterlijk dichtbij huis. Het eigen volk, zijn tradities, zijn taal, zijn volksmuziek, dat alles werd ontdekt als bron voor de creatie van nieuwe muziek. Die als het even kon ook minder gekunsteld zou moeten zijn.

Als Ate Doornbosch in 1957 begint met zijn programma ´Onder de groene linde´, het land doortrekt en opnamen maakt van oude volksliederen, treedt hij bewust of onbewust in een rijke traditie. Zo´n 50 jaar voor hem trokken Zoltán Kodály en Béla Bartók al door de landelijke streken van het toenmalige Oostenrijks-Hongaarse rijk. Zij verzamelden volksmuziek, enerzijds voor wetenschappelijke doeleinden, anderzijds als bron voor eigen composities.

Het Mátra-gebergte verschafte Kodály de volkse verhalen en muzikale elementen voor het a cappella koorwerk 'Mátrai Képek'. Het heeft een opbouw die al langere tijd geliefd was bij componisten, een doorlopende keten van dichterlijke en muzikale sfeerbeelden. Denk bijvoorbeeld aan ´Schilderijen van een tentoonstelling´ van Moessorgski. Als bergriviertjes meanderen de kwintparallellen door het stuk en verschaffen het een enigszins boertig karakter. De motieven en melodieën zijn eenvoudig, maar met diepgang. Eenvoudig is niet de goede uitdrukking. Beter is zonder opsmuk, als gefilterd door de eeuwen.

De later wereldberoemde modernist György Ligeti werd in zijn jonge jaren zeer beïnvloed door Béla Bartók. Ook de vroege werken van Ligeti zijn vaak gebaseerd op volkse verhalen en het muzikale gebaar sluit hier in navolging van Bártok en Kodály direct op aan. Toch gebeurt er gaandeweg meer en wordt de taal vooruitstrevender. In milde vorm worden al klusters gebruikt. Een element dat later bij Ligeti grootse en meeslepende vormen zal aannemen. De keuze voor de volksmuziek is bij Ligeti in het toenmalige communistische Hongarije echter niet geheel vrijblijvend. Zijn echte modernistische werken ontstaan dan ook pas als hij, na de neergeslagen Hongaarse opstand van 1956, om politieke en kunstzinnige redenen naar Duitsland vertrekt.

Een andere manier om nationale en muzikale elementen te gebruiken in de muziek, is bijvoorbeeld de vulgarisatie van het kerklatijn. De standaard gebeden uit de mis worden vanuit het latijn vertaald in de volkstaal. Zo hertaalde en componeerde Leos Janácek het Otce nás (Onze Vader). En dat lang voor Vaticanum II (1965-68), het concilie waarin de liturgieviering in de eigen taal officieel werd toegestaan! (Giuseppe Verdi ging hem trouwens voor met zijn ´Pater noster´.) Andere volkse elementen zijn de vele kleine repetitieve motiefjes waaruit het stuk is opgebouwd en de eenvoudige harmonische wendingen. Maar ook hier is de eenvoud bedrieglijk en zeker niet gemakzuchtig. De toonschildering is aangrijpend en weids als het Mátra-gebergte, maar dan beleefd vanuit de kerkbanken.

Puisque tout Passe, nieuwsgierig als altijd naar nieuwe (muziek)werelden en uitdagingen, neemt u graag mee op deze reis langs bossen, rivieren en ravijnen. In het besef dat de aardse schoonheid af en toe vraagt om een gebed vanuit de erkenning dat wij slechts te gast op aarde zijn.

Korenlint Haarlem

Op zaterdag 13 september treedt Puisque tout Passe op tijdens het Korenlint in Haarlem. Mis dit niet! Een kleine staalkaart van het repertoire met werken van Paul Hindemith, Daan Manneke, Françis Poulenc, William Schuman, Edward Elgar en Eric Whitacre.

Bloemencorso

Ook dit jaar verzorgt Odeon een optreden tijdens het bloemencorso.

Zoals de narcissen en hyacinten elk jaar bloeien, zo bloeit ook de menselijke liefde. Maar zoals de tulpen verwelken, is ook de liefde niet oneindig.

Liefde en verdriet gaan hand in hand en dat gegeven heeft ons vele prachtige muziekwerken geschonken.

We brengen een ode aan de liefde, in het besef van het daaraan verbonden verdriet.

En doen dat graag door er over te zingen, met een goed gevuld glas bij de hand!

Dromerige Vergezichten

Na het zeer aardse jubileumprogramma van september 2013, zoekt Puisque tout Passe het in het voorjaarsconcert van dit jaar in vluchtigere beelden en meer dromerige vergezichten.

Het programma is Frans georiënteerd, maar daarin niet dogmatisch. Naast Erik Satie, Francis Poulenc en Olivier Messiaen maken ook de Nederlander Daan Manneke, de Vlaming Karel Goeyvaerts, de Duitser Paul Hindemith en de Amerikaan Eric Whitacre hun opwachting.

Met Manneke slaan we onze ogen op naar bergachtige verten. Bij de verheffing die we zoeken vergeten we echter niet de armen; met Satie dragen we een mis voor hen op.

De sneeuw van Poulenc zien we veranderen van koude hinderlijke kluiten in wolken veertjes van geplukte ganzen.

Dan dient het voorjaar zich aan bij Hindemith. Tijd om verliefd te worden met Whitacre of naar de scheepjes in de verre haven te kijken met Goeyvaerts, door wie we ons graag bij de hand laten nemen voor een lange wandeling.

Dromen met Goeyvaerts, slapen met Whitacre. Gelukkig zorgt Messiaen er voor dat we bij de les gehouden worden met zijn overrompelende visie op het kindje Jezus, briljant vertolkt door pianist Daniël Kramer.

En dat alles tenslotte voorbijgaat, ach dat weet Puisque tout Passe als geen ander.

Kom dus luisteren op zondag 6 april in de Stompe Torenkerk in Spaarnwoude, aanvang 15:30 uur.